maandag 8 juni 2026

Was Freud een scepticus?

Dit artikel is gepubliceerd in een themanummer van Filosofie-Tijdschrift over scepticisme (jrg. 36, nr. 3, mei-juni 2026) 
https://gompel-svacina.eu/product/filosofie-tijdschrift-jrg-36-nr-3-scepticisme/

Sigmund Freud (1856-1939) beschouwde zich als een man van de wetenschap. Hij had een medische opleiding gevolgd en daarna een aantal jaren gewerkt als neurologisch onderzoeker in een Weens laboratorium. Vervolgens opende hij een privépraktijk voor zenuwzieken. Op basis van inzichten die hij opdeed in zijn praktijk ontwikkelde Freud gaandeweg een psychologische theorie over de ontstaansgronden van ‘neurotische’ klachten en symptomen. Die theorie en praktijk zijn bekend geworden onder de naam psychoanalyse. Niemand heeft op het gebied van de psychologie wereldwijd zoveel invloed gehad als Freud. Dat is bijzonder, want van meet af aan zijn er twijfels geuit aan de wetenschappelijkheid van de psychoanalyse.

Wetenschap als worsteling

Wat verstond Freud zelf onder wetenschap? In een van zijn colleges typeerde hij wetenschap als ‘de intellectuele bewerking van zorgvuldig geverifieerde observaties, dus dat wat men onderzoek noemt’.[i] Dat roept voor de hand liggende vragen op, zoals: wat houdt die intellectuele bewerking dan in? En: waar worden die observaties gedaan en hoe worden ze geverifieerd? Freud doelde in ieder geval op waarnemingen gedaan in de psychoanalytische behandelpraktijk, waarin de patiënt alles zegt wat in hem of haar opkomt en reageert op de duiding van die associaties door de analyticus. Heeft deze goed ‘geraden’ of ‘geconstrueerd’ – deze woorden gebruikte Freud zelf – wat de invallen van de patiënt zouden kunnen betekenen, dan produceert de patiënt vanzelf nieuwe associaties, waarop dan weer kan worden voortgeborduurd.

Zo’n analyse is dus een voortdurend proces. Interpretaties zijn nooit definitief, maar in het gunstige geval worden patiënten op den duur verlost van hun klachten en symptomen. Ze hebben in ieder geval meer zicht op de oorsprong ervan en daardoor minder last van angsten en obsessies. In het genoemde college gebruikte Freud de analyse als een analogie voor de gang van zaken in de wetenschap: ‘Met bepaalde verwachtingen gaat men aan de slag, maar men moet die terugdringen. Door observatie komt men nu eens hier dan weer daar iets nieuws te weten, de stukken passen aanvankelijk niet bij elkaar. Men poneert vermoedens, maakt hulpconstructies, die men herroept als ze niet worden bevestigd, men moet veel geduld hebben, voor alle mogelijkheden openstaan, eerdere overtuigingen laten vallen om niet onder dwang daarvan nieuwe, onverwachte elementen te veronachtzamen, en ten slotte wordt alle inspanning beloond, de verspreide vondsten voegen zich aaneen, men krijgt inzicht in een groot deel van het psychische gebeuren, heeft het probleem opgelost en is nu vrij om het volgende aan te pakken.’[ii]

Freud toont zich hier een scepticus: wat zich als plausibele constructie aandient moet serieus genomen worden en de beste manier om dat te doen is haar in twijfel te trekken, dat wil zeggen alternatieve interpretaties en tegenvoorbeelden zonder scrupules te onderzoeken. Twijfel is hier dus een methodisch principe, waarbij wetenschap wordt gezien als een proces dat nooit af is.[iii]

Het contrapunt in zijn betoog is religie, ‘een intellectuele constructie die al onze existentiële problemen uniform oplost vanuit een hypothese van een hogere orde’.[iv] Wat religie als waarheid presenteert is in wezen illusie, aldus Freud, een gesloten, dogmatisch wereldbeeld zonder lacunes. In vergelijking daarmee is wetenschap een onzekere zaak: je weet nooit definitief of de intellectuele constructie die je maakt ‘waar’ is, dat wil zeggen in overeenstemming met de werkelijkheid. Je kunt echter wel op enig moment vaststellen of zo’n constructie beter is dan een vorige, namelijk wanneer ze meer verschijnselen weet te verklaren of minstens verhelderen.

Natuurwetenschap van de ziel

Freud zag de psychoanalyse als wetenschap van de ‘ziel’ of psyche. Psyche omvat meer dan ‘geest’ of mind: het gaat hier om het wezen van de mens. Voor Freud is de psyche de zetel van zowel de geest als de hartstochten – en veel van de psyche blijft ons onbewust. Hieraan kleeft niets bovennatuurlijks: de psyche is wetenschappelijk te onderzoeken. Freud typeerde de psychoanalyse als een natuurwetenschap.

Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd: wij associëren natuurwetenschap doorgaans met onderzoek naar onbezielde, dode materie, door streng gecontroleerde experimenten in het laboratorium of door exacte metingen van de bewegingen van hemellichamen. Kortom, de klassieke fysica à la Newton. De taal van dit type wetenschap is de wiskunde, en de denkstijl een rigoureuze formalisering.

Freud schaarde de psychoanalyse echter onder de wetenschappen van de levende natuur.[v] Die kenmerkt zich door organische ontwikkeling – van soorten in de loop van de evolutie, en van individuele planten, dieren en mensen gedurende hun levensloop. Nauwkeurige observatie van levende wezens is hier de aangewezen methode en de ‘intellectuele bewerking’ houdt in: reconstrueren hoe een huidige toestand zich heeft ontwikkeld uit voorafgaande toestanden. Freud achtte deze werkwijze ook bruikbaar voor de wetenschap van de ziel: je moet mensen begrijpen uit hun psychische ontwikkeling en om die te achterhalen moet je met ze praten. ‘Zorgvuldig observeren’ betekende bij Freud in de eerste plaats: goed luisteren naar wat een persoon zegt en hoe die het zegt. Die uitlatingen breng je dan in verband met andere, eerder gedane uitlatingen en zo kun je de psychische geschiedenis van een persoon (patiënt) reconstrueren.

Freud vergeleek het werk van de psychoanalyticus graag met dat van de archeoloog die een bouwwerk uit het verleden opgraaft. ‘Zoals de archeoloog uit overeind gebleven muurresten de wanden van het gebouw optrekt, aan de hand van kuilen in de bodem aantal en plaats der zuilen bepaalt, uit de in het puin gevonden resten de voormalige muurornamenten en -schilderingen herstelt, net zo gaat de analyticus te werk als hij conclusies uit herinneringsflarden, associaties en actieve uitlatingen van de analysand trekt. Beiden hebben een onbetwistbaar recht om te reconstrueren door het aanvullen en samenvoegen van bewaard gebleven resten.’[vi]

Freud als essayist

Met deze opvatting van natuurwetenschap, geïnspireerd door het werk van Johann Wolfgang von Goethe, plaatste Freud zich eerder in een literaire dan in een mathematische traditie. Schrijven was voor hem een manier om zijn denken (de ‘intellectuele bewerking’) vooruit te helpen, in combinatie met verbeeldingskracht en gevoeligheid voor wat in de werkelijkheid is waar te nemen. Freud presenteerde zijn inzichten niet via formele modellen, maar in de vorm van essayistische betogen. Die konden de omvang van een boek hebben, maar waren vaker korte beschouwingen over een specifiek onderwerp, soms gericht op vakgenoten, soms op een publiek van leken. In alle gevallen zie je een erudiete, speelse, en creatieve geest aan het werk, bezig met hardop denken en erop gericht de lezer te prikkelen en mee te slepen. Freud bedreef, in de woorden van Walter Kaufmann, een ‘poëtische wetenschap'.[vii]

Freuds essays kenmerken zich door een bewust gebruik van retorische middelen. In plaats van begrippen formeel te definiëren gebruikte Freud liever metaforen en voorbeelden uit het dagelijks leven of uit de klassieke en moderne literatuur. Hij liet ambiguïteit bestaan, om associaties bij zijn lezers op te wekken en hun interesse en verbeeldingskracht te stimuleren.[viii] Daarnaast had hij een voorkeur voor eenvoudig en helder taalgebruik: geen abstract en geleerd aandoend vakjargon, maar bij voorkeur begrippen uit het dagelijks leven.

Het aanspreken van een breder publiek was deels een omweg om collegawetenschappers aan het denken te zetten en te overtuigen. Deels had het ook een direct en concreet doel: lezers aansporen tot zelfonderzoek met gebruikmaking van psychoanalytische inzichten. Het ging Freud dus niet in de eerste plaats om het verruimen van kennis bij de lezers, hij wilde hen raken, ‘hun ziel in beweging zetten’: ‘De lezer raakt alleen “opgewonden” bij de passages waardoor hij zich voelt aangesproken, die dus de in hem op dat moment werkzame conflicten raken’.[ix]

Uit dit laatste blijkt Freuds werkelijke ambitie. De psychoanalyse moest niet alleen een theorie leveren over neurotische patiënten, zijn begrippenapparaat moest ook bruikbaar zijn voor de psychologie van ‘normale mensen’. Al in een vroege periode van zijn werk schreef hij boeken met die bredere doelgroep in gedachten, bijvoorbeeld De droomduiding (1900) en De psychopathologie van het dagelijks leven (1901). Ieder mens is in meerdere of mindere mate neurotisch. Anders dan in de toenmalige psychiatrie gebruikelijk was zag hij ‘geesteszieken’ niet als een afwijkend mensentype, maar als gewone mensen die door constitutionele factoren en gebeurtenissen gedurende hun levensloop psychisch in het ongerede waren geraakt.

Psychoanalytische pijlers

Inhoudelijk gezien rustte het denken van Freud op twee pijlers. Allereerst was daar de cruciale rol van seksualiteit in mensenlevens. Hij vatte seksualiteit breed op. Vanaf onze geboorte zijn wij vleselijke, behoeftige, door lust gedreven wezens. De orale, anale en genitale exploraties die eigen zijn aan de kinderlijke seksualiteit zien we terug in de seksuele activiteiten van volwassenen. Dat we daarnaast het werk van beschaafde wezens verrichten, variërend van kinderen opvoeden tot werken op het gebied van politiek, kunst en wetenschap, gebeurt niet ondanks, maar dankzij onze lustkant. Die levert de krachten voor de sublimering die voor deze culturele prestaties noodzakelijk is.

Voor het primaat van de seksualiteit moeten we een prijs betalen, die van de verdringing, door Freud aangeduid als ‘de grondpijler waarop heel het bouwwerk van de psychoanalyse rust’.[x] ‘Alle verdringingen gebeuren in de vroege jeugd’, schrijft Freud, ‘het zijn primitieve afweermaatregelen van het onrijpe, zwakke Ik. In de latere jaren voltrekken zich geen nieuwe verdringingen, maar de oude handhaven zich en hun diensten worden door het Ik voortaan aangewend om driften te beheersen’.[xi]

Freud zag deze pijlers – kinderlijke seksualiteit en verdringing – in de eerste plaats als verworvenheden, als resultaten van de analyse – ‘op legitieme wijze als theoretisch extract verkregen uit talloze ervaringen’.[xii] Deze vormden voor Freud vervolgens de vaste uitgangspunten zowel in de verdere theoretische ontwikkeling van zijn raamwerk, als in de feitelijke uitvoering van analyses met patiënten. Hij hield er onverkort aan vast, maar gaf zichzelf daarbinnen de ruimte om te exploreren, te speculeren, te corrigeren en vooral: verder te bouwen.

De kracht van theorie

Freud creëerde dus naar zijn eigen idee een natuurwetenschap van de menselijke psyche, op basis van de intellectuele bewerking van observaties die hij deed in zijn psychoanalytische behandelpraktijk. In die praktijk formuleerde hij per patiënt een ‘minitheorie’ over de samenhang van symptomen, uitlatingen en levensgeschiedenis van de betreffende patiënt. Die minitheorie stond dan weer in verband met het meer algemene klinisch-theoretische kader dat Freud in de loop van de tijd had ontwikkeld. Dit verband werkte twee kanten op: enerzijds werd de minitheorie gevoed door het grotere kader, anderzijds leverde ze ook weer voedsel voor een verdere uitwerking van de grotere klinische theorie. Die theorie vormde dan weer het uitgangspunt voor een abstractere metapsychologie die, ook volgens Freud zelf, een speculatief karakter had en door hem regelmatig werd herzien.

Wanneer kon men theoretische stellingen dan als ‘waar’ beschouwen? Op het niveau van de individuele minitheorie gold dat waarheid kon blijken uit een nieuwe golf aan associatief materiaal bij de patiënt. Voor de klinische theorie gold in de eerste plaats dat een theoretisch principe bruikbaar moest zijn in de praktijk van de analyse, dus: behulpzaam bij het ‘raden’ of ‘construeren’ van een samenhang tussen symptomen en een eerdere pijnlijke gebeurtenis, een trauma. De analyticus begint niet bij nul, maar heeft op grond van de theorie een idee waar hij of zij het moet zoeken.

De invloed van Freuds denken was niet in de eerste plaats te danken aan de successen van zijn therapie. Die invloed hangt eerder samen met de coherentie en omvattendheid van de daaruit voortvloeiende theorie, waarbij hij zijn literaire gaven tot het uiterste benutte. Freud overtuigde door de aantrekkingskracht en vormgeving van zijn ideeën. Hij bood in zijn werk aanknopingspunten om een grote verscheidenheid aan psychologische en culturele verschijnselen te duiden.[xiii]

Geen experimenten

Ik begon dit essay met te stellen dat Freud zichzelf zag als een man van de wetenschap. Uit zijn werk blijkt dat hij hechtte aan de idealen van de moderne wetenschap van zijn tijd: nauwkeurige observatie, het ondersteunen van generalisaties door een groot aantal waarnemingen, en het grondig onderzoeken van alternatieve verklaringen. Hij wilde gezien worden als een wetenschapsbeoefenaar, niet als een kunstenaar.

Tegelijkertijd hechtte Freud aan het gebruik van verbeeldingskracht en literaire middelen. Door zijn vertrouwdheid met de wereld van kunst en cultuur wist hij maar al te goed dat de menselijke psyche complex, ambigu en duister is en dat het zaak was theorievorming en analyse daarop toe te snijden. Dat betekende ook dat hij sceptisch was over de waarde van de psychologische experimenteertraditie die in zijn tijd opgang deed. Hij zag de gegevens die daaruit voortkwamen als onnatuurlijk en oppervlakkig en als weinig bruikbaar voor het begrijpen van de complexe kwesties uit de analytische praktijk. Een theorie die altijd rechtlijnige antwoorden geeft zal onvermijdelijk de menselijke werkelijkheid platslaan die ze poogt te verklaren.

Toen de psycholoog Saul Rosenzweig in 1934 aan Freud een verslag stuurde van experimentele gegevens die Freuds ideeën leken te bevestigen, antwoordde deze: ‘Ik heb je experimentele onderzoeken voor de verificatie van de psychoanalytische beweringen met belangstelling bekeken, maar hecht er weinig waarde aan: de weelde aan betrouwbare observaties waarop die beweringen berusten maken ze onafhankelijk van experimentele verificatie. Niettemin: kwaad kan het niet.’[xiv] De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij twee decennia eerder nog triomfantelijk had geschreven dat er sprake was van ‘snelle experimentele bevestigingen van psychoanalytisch feitenmateriaal’ en dat ‘de eerste brug was geslagen tussen de experimentele psychologie en de psychoanalyse.’[xv] Daarvan was hij dus teruggekomen.

Binnen het palet van de wetenschappen lijkt de psychoanalyse van Freud meer op de evolutieleer van Darwin dan op de klassieke fysica of de experimentele psychologie. Darwins biologische theorie is tegelijkertijd empirisch en hermeneutisch: ze werkt door empirische aanwijzingen te ontcijferen om een verborgen werkelijkheid te onthullen, te weten de mechanismen van natuurlijke selectie. Darwin geeft toe dat hij geen direct empirisch bewijs heeft voor natuurlijke selectie, alleen impliciet bewijs via fossielen en dergelijke. Maar die fossielen maken het wel legitiem om tot de werking van natuurlijke selectie te besluiten. Freud werkte op analoge wijze wanneer hij het bewijsmateriaal van dromen, versprekingen en neurotische symptomen ontcijferde teneinde de verborgen werkzaamheid van het onbewuste te onthullen.[xvi] 

Was Freud een scepticus?

Freud was een scepticus als het ging om religie en om het nut van experimentele psychologie. Was hij ook sceptisch ten aanzien van zijn eigen werk? Hij nam zijn analytische praktijk serieus, maar beschouwde haar niet als zaligmakend. Zo schreef hij ooit ironisch: ‘Ik geloof niet dat onze therapeutische successen het kunnen opnemen tegen die van Lourdes.’[xvii] De praktijk van de analyse was voor hem, afgezien van de inkomsten die deze opleverde, vooral van betekenis als leverancier van ideeën, van ‘speculaties’ (zijn woord), die in volgende analyses bevestigd of weerlegd moesten worden.

Zo ontwikkelde Freud gaandeweg samenhangende theoretische uitgangspunten, zoals die van de verdringing en de kinderlijke seksualiteit. Deze en andere theoretische verworvenheden uit de praktijk konden dan weer benut worden in nieuwe analyses en exploraties, niet alleen in het pathologische domein, maar ook bij het beter begrijpen van het psychisch leven van gezonde mensen en allerlei thema’s waar de geesteswetenschappen zich mee bezig houden: ‘Zo schonk de analyse ons niet alleen de opheldering van pathologische voorvallen, maar toonde ze ook hun samenhang met het normale zielenleven aan en onthulde onvermoede banden tussen de psychiatrie en allerlei andere wetenschappen met een psychische activiteit als inhoud.[xviii]

Freuds scepticisme in wetenschappelijk opzicht was dus geclausuleerd. Hij wilde geen dogmatisch, vaststaand stelsel formuleren en verdedigen, maar aan enkele beginselen – kinderlijke seksualiteit, verdringing, het onbewuste – hield hij vast. Binnen die theoretische ruimte mocht wat hem betreft volop gespeculeerd worden, maar hij beschouwde zichzelf als de bewaker van de orthodoxie en als de uiteindelijke beoordelaar van de juistheid van de speculaties, die van hemzelf en vooral die van anderen. Freuds verdiensten zijn ontegenzeggelijk groot, maar we zouden hem tekort doen als we zijn werk niet met een gepast kritische blik zouden lezen.



[i] S. Freud (2006) Werken 10, Colleges Inleiding tot de psychoanalyse – Nieuwe reeks (1933a). Amsterdam: Boom, p. 211. NB in het vervolg verwijs ik kortweg naar Werken, gevolgd door het deelnummer, (verkorte) titel van het betreffende werk, jaar van eerste publicatie, en paginanummer(s).

[ii] Idem, p. 225.

[iii] Ook daarin zit een overeenkomst met de analyse, zie Werken 10, De eindige en de oneindige analyse (1937c), pp. 270-305.

[iv] Werken 10, Colleges (1933a), p. 211.

[v] Freud maakte een nadrukkelijk onderscheid tussen wetenschappen van de levende natuur en die van de onbezielde materie, zie bijvoorbeeld Werken 10, De eindige en de oneindige analyse (1937c), p. 298.

[vi] Werken 10, Constructies in de analyse (1937d), pp. 309-310

[vii] W. Kaufmann (1980/2007), Freud, Adler, and Jung. Discovering the Mind, Volume 3, Deel 1, Freud and his poetic science, pp. 11-172.

[viii] Dit stijlkenmerk van Freuds schrijven wordt benadrukt door de essayist Adam Gopnik, Freud the Skeptic, in: A. Blauner (2024) On the Couch. Writers Analyze Sigmund Freud. Princeton & Oxford: Princeton University Press, pp. 255-265. Zie ook Walter Schönau (1968) Sigmund Freuds Prosa. Literarische Elemente seines Stils. Stuttgart: J.B. Metzlersche Verlangsbuchhandlung,

[ix] Werken 10, De eindige en de oneindige analyse (1937c), p. 286-287.

[x] Werken 6, Over de geschiedenis van de psychoanalytische beweging (1914d), p. 367.

[xi] Werken 10, De eindige en de oneindige analyse (1937c), p. 280.

[xii] Idem, p. 368.

[xiii] Dit laatste was nadrukkelijk Freuds oogmerk. Zie Paul Robinson (1993) Freud and His Critics. Berkeley etc.: University of California Press, pp. 258-260.

[xiv] Geciteerd bij Robinson (1993) a.w., p. 211.

[xv] Werken 6, Over de geschiedenis … (1914d), p. 379

[xvi] Zie Robinson (1993) a.w., p. 262. Zie voor de werkwijze van Darwin: Ilse N. Bulhof (1988) Darwins Origin of Species: Betoverende wetenschap. Baarn Ambo; Janet Browne (2006) Darwin’s Origin of Species. A biography. London: Atlantic Books.

[xvii] Werken 10, Colleges (1933a), p. 206

[xviii] Werken 6, Over de geschiedenis … (1914d), p. 386.

donderdag 24 juli 2025

Trans

Freud bedacht de term ‘penisnijd’ om de reactie van kleine meisjes aan te duiden als zij ontdekken dat kleine jongetjes iets hebben dat zij missen: een penis. Meisjes voelen dan afgunst: ze zijn oneerlijk behandeld. Het ervaren van penisnijd zou volgens Freud allerlei gevolgen hebben voor de psychoseksuele ontwikkeling van meisjes.

De kleine James Boylan voelde zich ook oneerlijk behandeld: hij had een penis en hij wilde die niet. Boylan (1958) voelde zich een meisje. Na meer dan twintig jaar getob besloot hij in therapie te gaan. Hij woonde in New York, een van de centra van de psychoanalyse. Het kostte hem de hele eerste zitting om stotterend op te biechten dat hij ‘gender issues’ had.

Zijn analyticus, die hij aanduidde als ‘Dr. Fernweh’ (we zullen nog zien waarom), begon vragen te stellen over zijn relatie met zijn vader en moeder, en ook of James soms liever wilde zijn zoals zijn zus, een paardenmeisje. Nee, Boylan wilde een eigen leven als vrouw, in plaats van zich ongelukkig te voelen als man – een gevoel dat wel wordt aangeduid als genderdysforie.

Terwijl Boylan hoopte door de therapie verlichting te vinden, wist Dr. Fernweh niet beter te doen dan een bouwwerk van ingewikkelde psychologische speculaties op hem los te laten. Al met al deed de psychoanalyse James meer kwaad dan goed. Toen hij met de behandeling stopte was hij er zo slecht aan toe dat hij zelfs een poging deed een eind aan zijn leven te maken.

Rond de eeuwwisseling ging Boylan in transitie, kreeg een hormoonbehandeling en een operatie, en werd Jennifer. Toen ze Dr. Fernweh een keer op straat tegenkwam wilde ze uitroepen: ‘Dokter, dokter, ik ben het, Jenny Boylan! Ik heb het gedaan! Ik ben gelukkig!’ Maar de dokter herkende zijn voormalige patiënt niet: die was nu immers een vrouw en bovendien twintig jaar ouder geworden.

Jenny was nu wel gelukkig, maar de reacties in haar omgeving waren soms bizar en ontmoedigend. Toen zij zich voorstelde aan een nieuwe collega maakte die zich snel uit de voeten. De verklaring kwam van een andere collega: ‘O, ze is doodsbang voor jou. Ze is een Freudiaan en jij past niet in haar theorie.’


Castratieangst

Voor Freud zou het inderdaad ondenkbaar zijn geweest dat een man verlost zou willen worden van zijn penis. Volgens zijn theorie zou het precies omgekeerd zijn: voor een jongetje of een man zou het idee zijn penis kwijt te raken een bron van grote angst zijn, van ‘castratieangst’.  Freud werd in dit idee gesterkt door zijn eerste kinderanalyse, die van ‘kleine Hans’. Hans speelde graag met zijn piemeltje, maar als zijn moeder hem betrapte dreigde ze het te laten afsnijden. Toen hij zijn zusje in bad zag, kreeg hij plastisch in beeld hoe hij er na zo’n castratie uit zou zien.

Terwijl volwassenen het bestaan van twee seksen vanzelfsprekend vinden, is dat voor kleine kinderen niet zo: zij gaan er volgens Freud van uit dat zowel mannen als vrouwen een penis hebben. Bij meisjes groeit die ook nog wel aan, denken zowel jongetjes als meisjes. Als ze doorkrijgen dat dat niet gaat gebeuren, ontstaat bij meisjes penisnijd en bij jongens (opnieuw) castratieangst.

Ik bespaar de lezer nu even de ‘ingewikkelde psychologische speculaties’ à la Dr. Fernweh over castratie- en Oedipuscomplex. Ik wil namelijk de vraag terughalen of het inderdaad niet mogelijk is om de geschiedenis van Jennifer Boylan psychoanalytisch te begrijpen. Konden er volgens Freud tussenvormen en transities bestaan tussen man en vrouw?

Het antwoord is op dat laatste is: ja. Freud was goed op de hoogte van het werk van de seksuologen van zijn tijd. Hij kende bijvoorbeeld het Jahrbuch für sexuelle Zwischenstufen van Magnus Hirschfeld, waarin seksuele tussenvormen uitgebreid gedocumenteerd werden, op basis van observatie, casuïstiek en de toenmalige medische kennis. Ook had Freud van zijn intellectuele vriend Wilhelm Fliess al vóór 1900 het idee overgenomen dat menselijke wezens in principe – of in ieder geval in het begin van hun leven – biseksueel zijn.

Wij gebruiken deze term meestal om aan te duiden dat iemand op zowel mannen als vrouwen valt, in Freudiaanse termen: een biseksuele ‘objectkeuze’ heeft. Hier gaat het echter om het vertonen van kenmerken van beide geslachten in psychologische zin, een ‘non-binaire identiteit’, in hedendaagse termen. Psychologisch gezien is het vrouw-zijn of man-zijn niet gegeven bij de geboorte, aldus Freud. Psychologische vrouwelijke en mannelijke kenmerken ontwikkelen zich gedurende de jeugd, met als startpunt een ‘biseksuele dispositie’.

Sekse en gender

Even een stap opzij: hoe ziet Freud eigenlijk de verhouding tussen biologie en psychologie, als het om dit soort kwesties gaat? In zijn laatste werk, Hoofdlijnen van de psychoanalyse (1938), schrijft hij: de dualiteit der seksen is een biologisch feit. ‘Wij vinden In het zielenleven alleen reflecties van deze grote oppositie’. (SFW10: 485) Het lijkt er dan op alsof volgens Freud dit biologische feit bepalend is voor het psychische leven, maar zo is het niet. Het veroorzaakt ons psychische leven niet, aldus Freud, maar dat psychische leven moet er wel iets mee. De uitkomst daarvan is veel gevarieerder dan de twee psychologische seksen ‘man of vrouw’. Anders gezegd: gevarieerder dan het bestaan van twee genders.

Over die ‘reflecties’ van de biologische seksendualiteit in het psychische leven schrijft Freud: het begrip daarvan wordt bemoeilijkt doordat ‘geen individu zich tot de reactiewijzen van één sekse beperkt, maar altijd een zekere ruimte voor die van de andere sekse laat’. Eerder schreef hij:de observatie van feitelijk bestaande mannelijke en vrouwelijke individuen wijst uit dat noch in biologische noch in psychologische zin zuivere mannelijkheid of vrouwelijkheid wordt aangetroffen. Elk individu vertoont een vermenging van de eigen biologische geslachtskenmerken met biologische trekken van het andere geslacht.’ (SFW4: 95). En zo is het volgens Freud ook psychologisch, maar wat verstaat hij dan onder ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’?

In arren moede sluit Freud zich aan bij wat hij zelf aanduidt als: ‘een  evident inadequate empirische en conventionele gelijkstelling’, namelijk: ‘Alles wat sterk en actief is, noemen wij mannelijk, alles wat zwak en passief is vrouwelijk.’ Het principe van psychologische biseksualiteit volgend, schrijft hij dan dat ieder individu ‘een combinatie van activiteit en passiviteit’ is, en dat dat deels onafhankelijk is van het man of vrouw zijn in biologische zin.

Constitutie en dynamische factoren

De meeste mensen worden echter wel hoofdzakelijk man of vrouw, vanuit een volgens Freud biseksuele dispositie. Er vinden dus fundamentele veranderingen plaats, die voortvloeien uit het samenspel tussen het opgroeiende kind en belangrijke personen en gebeurtenissen in zijn of haar omgeving. Dat die omgeving jongetjes in de richting van mannelijkheid duwt en meisjes in de richting van vrouwelijkheid is een ervaringsfeit.

Maar Freud laat de mogelijkheid open dat de uitkomst ergens tussen in ligt. Dat vraagt om een verklaring, maar dat geldt ook voor de ‘normale’ uitkomst. In beide gevallen is sprake van een in elkaar haken van constitutie (biologisch en psychologisch) en ‘dynamische factoren’, dat wil zeggen wat er gebeurt in iemands levensgeschiedenis.

Om hier ordening in te kunnen brengen maakt Freud onderscheid tussen lichamelijke identiteit, psychische identiteit en het type objectkeuze. Een lichamelijk overduidelijke man, met ook een mannelijke manier van doen, kan heel goed homoseksueel zijn. Een andere eveneens lichamelijk typische man, kan in psychisch opzicht vrouwelijke trekken vertonen, maar heteroseksueel zijn. Enzovoort. Er zijn volgens Freud dus veel variaties tussen deze aspecten van seksualiteit en gender mogelijk. In principe zou zijn denkkader dus goede mogelijkheden moeten kunnen bieden voor het begrijpen van zowel trans- als cis-ervaringen en -identiteiten. Zelf liet hij het bij enkele summiere formuleringen, maar hij was daarbij genuanceerder dan de gecanoniseerde – Amerikaanse – weergave van zijn theorie. Zijn visie was ook radicaler dan praktiserende psychoanalytici als Dr. Fernweh, bij wie – toen nog James – Boylan in analyse was. Freud vond in ieder geval dat de tussenliggende vormen en bewegingen tussen man en vrouw (en v.v.) niet gepathologiseerd moesten worden.

Een verklaring voor genderdysforie is bij Freud niet te vinden. Ik ging te rade bij Frans de Waal (2022), Anders. Gender door de ogen van een primatoloog. Die schrijft: ‘We weten niet of het transgender zijn wordt veroorzaakt door genen, hormonen, of ervaringen in de baarmoeder en/of vlak na de geboorte. We weten wel dat het doorgaans vroeg in het leven opkomt en niet kan worden teruggedraaid.’ (66) Genderidentiteit is een hardnekkig gevoel dat van binnen uit komt.

Zoals zo vaak gaat men dan op zoek in de hersenen. Een ‘piepklein gebied in de hersenen’ is bij mannen groter dan bij vrouwen. Hoe zit dat bij transpersonen? Daar spreken hersenonderzoekers elkaar tegen: sommigen zien dat ‘grotere gebied’ van biologische mannen ook bij transmannen, andere onderzoekers constateren dat de hersenen van transpersonen noch mannelijk, noch vrouwelijk zijn, maar ‘anders’. 


Ik geef graag het laatste woord aan Jenny Boylan. Vrouwelijk zijn is iets anders dan vrouw zijn, schrijft ze in Cleavage. Men, women and the space between us (2025, 284). Dat verschil kwelde haar toen ze nog een man was. ‘Het is als heimwee hebben naar een plaats waar je nooit geweest bent. En als je eindelijk op die onbekende kust aan land gaat, overvalt je een gevoel van overweldigende dankbaarheid, verlichting en blijdschap. Thuis, denk je dan. Eindelijk ben ik thuis.’ Dat kan Dr. Fernweh in zijn zak steken…


Boylan, J.F. (2024) Penis Envy. In: A. Blauner (Ed.), On the Couch. Writers analyze Sigmund Freud. Princeton: Princeton University Press, pp. 22-37.

Boylan, J.F. (2025) Cleavage. Men, women and the space between us. NY: Celadon Books.

Freud, S. (2006) Sigmund Freud Werken (SFW). Amsterdam: Boom.

Waal, F. de (2022) Anders. Gender door de ogen van een primatoloog. Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact.

donderdag 18 april 2024

Bedreef Freud wetenschap?

Bedreef Freud wetenschap of was hij op zijn best een creatieve denker – en op zijn slechtst een onbetrouwbare fantast? Over deze vragen wordt al meer dan een eeuw getwist. Wat zeiden Nederlandse psychologen hierover? Wat zou Freuds reactie zijn geweest en kunnen we daar iets mee?

De psycholoog A.D. de Groot schreef in zijn befaamde boek Methodologie (1961, p. 60): ‘Een leer als
de psychoanalyse moet worden gezien als een nog grotendeels onwetenschappelijk geformuleerd en nog ongetoetst theoretisch systeem. Freuds systeem is immers geheel opgebouwd op grond van […] empathisch-begrijpend geïnterpreteerde klinische ervaringen.’ In zijn ogen was Freud op zijn best ‘voorwetenschappelijk’ bezig, maar wel iemand om serieus te nemen.

Datzelfde vond ook zijn jongere vakbroeder Jaap van Heerden, die in 1982 promoveerde op De zorgelijke staat van het onbewuste. Hij oordeelde dat Freud de mogelijkheden om diepgaand over onszelf en anderen te praten enorm heeft verruimd. Maar gaat het hier om echte kennis? Dat kan eigenlijk alleen de empirische psychologie uitmaken, de psychologie die haar kracht zoekt in experimenten en kritische toetsing van hypothesen, aldus Van Heerden in Schrikbewind der verzinsels (1996, p. 147-148).

Psychologen die zich aan een dergelijke toetsing waagden stuitten op allerlei moeilijkheden. Experimenteel-psychologisch onderzoek vereist bijvoorbeeld een ondubbelzinnige relatie tussen begrippen en empirie, terwijl Freud begrippen introduceerde met een ‘oncontroleerbare surplusbetekenis’. Deze surplusbetekenis is zeer vaag omlijnd en speelt een grote rol in de hantering van de theorie, aldus De Groot, die daaraan toevoegde: ‘als je uit het complexe theoretische systeem van de psychoanalyse één consequentie uitwerkt en experimenteel aantoont, dan is daarmee nog slechts zeer weinig ten gunste van de psychoanalytische theorie gezegd’. (De Groot, p. 110).


Weense kwakzalver?
Voor de meeste psychologen waren dergelijke conclusies aanleiding de psychoanalyse in hun wetenschappelijke werk maar te negeren, al vonden ze Freud ‘als boek op het nachtkastje’ fascinerend om te lezen. Daarnaast ontstond in de jaren tachtig een legertje van critici die zich met grote hartstocht op geschriften en brieven van Freud stortten om aan te tonen dat hij een leugenaar en een bedrieger was. Nabokov had Freud al in de jaren vijftig spottend aangeduid als ‘de Weense kwakzalver’, nu was het zaak hiervoor de onomstotelijke bewijzen te leveren.
 


In Nederland zette socioloog Han Israëls zich aan deze taak. In Het geval Freud
(1993) en De Weense kwakzalver (1999) beschreef hij hoe Freud regelmatig zaken mooier voorstelde dan ze waren (bijvoorbeeld successen in de therapie) en niet schroomde zijn eigen geschiedenis zodanig te herschrijven dat fouten en vergissingen werden verdoezeld. Freud had volgens Israëls met dit alles maar één doel: beroemd worden. In Freuds werk waren al eerder inconsistenties en verschuivingen geconstateerd, maar Israëls kon gebruik maken van nieuwe bronnen die nooit voor publicatie bedoeld geweest waren: Freuds brieven aan zijn verloofde en de langdurige briefwisseling met zijn vriend en collega Wilhelm Fliess. Daarin was hij uiteraard openhartiger over zijn overwegingen en twijfels dan in de voor publicatie bedoelde geschriften, en dus kon Israëls de tegenspraken tussen beide gemakkelijk benutten om zijn aanklacht te ondersteunen.

Israëls ging het er in de eerste plaats om het gebrek aan integriteit van Freud aan de kaak te stellen: als persoon, als auteur en als iemand die zichzelf als wetenschapsbeoefenaar afficheerde. In de inhoud van Freuds werk was Israëls niet geïnteresseerd, hij zag het als een bouwwerk van verzinsels, en de therapeutische behandeling was wat hem betreft op drijfzand gebaseerd. Waar kritische beschouwers als de genoemde De Groot en Van Heerden Freuds ‘imposante bouwwerk van begrippen en theorieën’ zagen als een verruiming van het wetenschappelijk denken en een culturele invloed van formaat, wilde Israëls Freud door de mand laten vallen – en daarmee de gehele psychoanalytische traditie. Die traditie was immers een maaksel van Freud zelf, een sekte die hem als een genie beschouwt en geen kwaad woord over haar grondlegger wil horen. Idealiseren en verguizen liggen hier als twee kanten van één medaille dicht bij elkaar.

Psychologie als natuurwetenschap
Het welles-nietes-debat tussen gelovigen en Freud-bashers brengt ons weinig verder en is inhoudelijk tamelijk oninteressant. We kunnen beter terugkeren naar de beginvraag van dit stuk: bedreef Freud wetenschap? In het voorafgaande werd wetenschap vooral getypeerd als experimenteel en hypothesetoetsend, met strak afgebakende begrippen die zich goed laten operationaliseren. Freud had daar weinig mee op. Toen de psycholoog Saul Rosenzweig in 1934 aan Freud liet weten dat hij enkele van diens stellingen experimenteel had weten te bevestigen, schreef Freud terug dat hij zijn eigen waarnemingen hoger aansloeg dan experimenteel onderzoek, maar ‘desondanks, kwaad kan het niet’.     

Hoe moeten we dit rijmen met Freuds uitspraken dat de psychoanalyse onderdeel is van de psychologie en dat de psychologie een natuurwetenschap is? (‘Wat zou ze anders moeten zijn?’) Eén mogelijk antwoord geeft Freud zelf. In de psychologie liggen zaken anders dan bijvoorbeeld in de fysica: ‘[…] iedereen – zowel de filosoof als de man van de straat – heeft een eigen mening over psychologische vraagstukken, gedraagt zich alsof hij tenminste een amateurpsycholoog is’ (Werken, 10, p. 507). Die amateur is geneigd ‘psychisch’ gelijk te stellen aan bewust, maar dat is volgens Freud een doodlopende weg: bewustzijn is weliswaar een eigenschap van het psychische ‘maar het psychische op zichzelf […] is onbewust, waarschijnlijk op eenzelfde wijze als alle andere processen in de natuur waarover wij kennis hebben vergaard.’ (p. 508).


Voor Freud heeft ‘natuurwetenschappelijk’ dus geen vastliggende methodologische betekenis – bijvoorbeeld: wetenschappelijk onderzoek = experimenteel onderzoek – terwijl het experiment voor psychologen juist geldt als de ‘gouden standaard’. ‘Natuurwetenschappelijk’ heeft voor Freud in de eerste plaats een theoretische betekenis. Ook al heeft het psychologisch onderzoeksmateriaal, zoals het bijvoorbeeld in de therapie of in het dagelijks leven verschijnt, een subjectief karakter, de wetenschapsbeoefenaar dient te objectiveren en abstraheren. Het inzicht dat bewuste psychische verschijnselen het topje van een ijsberg zijn, moet de onderzoeker helpen de samenhang met onbewuste psychische processen vast te stellen – in de theorie, maar ook in de praktijk van de analyse. In die praktijk speelt ook een ander ‘natuurwetenschappelijk’ element een rol: causaliteit vaststellen. Daarbij gaat het niet om lineaire, enkelvoudige relaties of vaste wetmatigheden maar om het identificeren van meerdere, op specifieke manieren aan elkaar gekoppelde oorzaken van gebeurtenissen, door Freud aangeduid met de term 'overdeterminatie'. Het opsporen van een causale keten van bewuste en onbewuste processen bij een psychisch voorval in een mensenleven is dan vergelijkbaar met het analyseren van de oorzaken van een aardbeving.

Aan het werk
Hiermee zijn natuurlijk niet alle problemen rond de wetenschappelijke status van de psychoanalyse opgelost, integendeel: het werk begint pas. Dat veronderstelt wel dat men überhaupt aan dat werk zou willen beginnen. Ik denk dat wetenschapsbeoefenaren in de psychologie – breed opgevat – dat wel zouden moeten doen.

De psycholoog Johan Barendregt – gepromoveerd bij A.D. de Groot en later promotor van Jaap van Heerden – worstelde zijn hele academische leven met de spanningsverhouding tussen wetenschappelijkheid en relevantie. Barendregt vocht op twee fronten: tegen psychologen ‘die zich van toetsing en methodologische beginselen niets aantrokken en maar wat aankletsten, maar ook tegen onderzoekers die van de methodologie juist een afgod hadden gemaakt en glorieerden met kleine wetenschappelijk verantwoorde onderzoekjes naar trivialiteiten, maar rilden van schrik als ze zoiets onwetenschappelijks als een levend mens zagen.’ (Uitspraak van Barendregts schaakvriend Hans Ree, geciteerd bij Van Heerden, Johan Barendregt, p. 276)



Er zit in de psychoanalyse iets wat in de academische ‘wetenschappelijke’ psychologie niet zit: inspiratie voor het denken over onszelf in relatie tot onze medemensen, voor een beter inzicht van (en in) de amateurpsychologen die wij allen zijn. Het Freudiaanse denken heeft zich – dixit W.F. Hermans – als een soort kruipolie over het hele Westerse denken verbreid. Termen als het onbewuste, het Oedipuscomplex, (super)ego, projectie, sublimatie, verdringing, trauma, erogene zone, en niet te vergeten penisnijd hebben ingang gevonden in het dagelijkse taalgebruik. Daarmee wil ik niet zeggen dat de psychoanalyse en alles wat zich nadien in die traditie heeft ontwikkeld voor zoete koek moet worden geslikt, wel dat de in deze traditie ontwikkelde begrippen serieus moeten worden onderzocht op hun waarde en meerwaarde (betekenis en ‘surplusbetekenis’) voor de hedendaagse psychologie.





Was Freud een scepticus?

Dit artikel is gepubliceerd in een themanummer van  Filosofie-Tijdschrift  over scepticisme (jrg. 36, nr. 3, mei-juni 2026)  https://gompel-...