Dit artikel is gepubliceerd in een themanummer van Filosofie-Tijdschrift over scepticisme (jrg. 36, nr. 3, mei-juni 2026)
https://gompel-svacina.eu/product/filosofie-tijdschrift-jrg-36-nr-3-scepticisme/
Sigmund Freud (1856-1939) beschouwde zich als een man van de
wetenschap. Hij had een medische opleiding gevolgd en daarna een aantal jaren
gewerkt als neurologisch onderzoeker in een Weens laboratorium. Vervolgens opende
hij een privépraktijk voor zenuwzieken. Op basis van inzichten die hij opdeed
in zijn praktijk ontwikkelde Freud gaandeweg een psychologische theorie over de
ontstaansgronden van ‘neurotische’ klachten en symptomen. Die theorie en
praktijk zijn bekend geworden onder de naam psychoanalyse. Niemand heeft
op het gebied van de psychologie wereldwijd zoveel invloed gehad als Freud. Dat
is bijzonder, want van meet af aan zijn er twijfels geuit aan de
wetenschappelijkheid van de psychoanalyse.
Wetenschap als worsteling
Wat verstond Freud zelf onder wetenschap? In een van zijn
colleges typeerde hij wetenschap als ‘de intellectuele bewerking van zorgvuldig
geverifieerde observaties, dus dat wat men onderzoek noemt’.[i]
Dat roept voor de hand liggende vragen op, zoals: wat houdt die intellectuele
bewerking dan in? En: waar worden die observaties gedaan en hoe worden ze
geverifieerd? Freud doelde in ieder geval op waarnemingen gedaan in de
psychoanalytische behandelpraktijk, waarin de patiënt alles zegt wat in hem of
haar opkomt en reageert op de duiding van die associaties door de analyticus.
Heeft deze goed ‘geraden’ of ‘geconstrueerd’ – deze woorden gebruikte Freud
zelf – wat de invallen van de patiënt zouden kunnen betekenen, dan produceert
de patiënt vanzelf nieuwe associaties, waarop dan weer kan worden
voortgeborduurd.
Zo’n analyse is dus een voortdurend proces. Interpretaties
zijn nooit definitief, maar in het gunstige geval worden patiënten op den duur verlost
van hun klachten en symptomen. Ze hebben in ieder geval meer zicht op de
oorsprong ervan en daardoor minder last van angsten en obsessies. In het
genoemde college gebruikte Freud de analyse als een analogie voor de gang van
zaken in de wetenschap: ‘Met bepaalde verwachtingen gaat men aan de slag, maar
men moet die terugdringen. Door observatie komt men nu eens hier dan weer daar
iets nieuws te weten, de stukken passen aanvankelijk niet bij elkaar. Men
poneert vermoedens, maakt hulpconstructies, die men herroept als ze niet worden
bevestigd, men moet veel geduld hebben, voor alle mogelijkheden openstaan,
eerdere overtuigingen laten vallen om niet onder dwang daarvan nieuwe,
onverwachte elementen te veronachtzamen, en ten slotte wordt alle inspanning
beloond, de verspreide vondsten voegen zich aaneen, men krijgt inzicht in een
groot deel van het psychische gebeuren, heeft het probleem opgelost en is nu
vrij om het volgende aan te pakken.’[ii]
Freud toont zich hier een scepticus: wat zich als plausibele
constructie aandient moet serieus genomen worden en de beste manier om dat te
doen is haar in twijfel te trekken, dat wil zeggen alternatieve interpretaties
en tegenvoorbeelden zonder scrupules te onderzoeken. Twijfel is hier dus een
methodisch principe, waarbij wetenschap wordt gezien als een proces dat nooit
af is.[iii]
Het contrapunt in zijn betoog is religie, ‘een
intellectuele constructie die al onze existentiële problemen uniform oplost
vanuit een hypothese van een hogere orde’.[iv]
Wat religie als waarheid presenteert is in wezen illusie, aldus Freud, een
gesloten, dogmatisch wereldbeeld zonder lacunes. In vergelijking daarmee is
wetenschap een onzekere zaak: je weet nooit definitief of de intellectuele
constructie die je maakt ‘waar’ is, dat wil zeggen in overeenstemming met de
werkelijkheid. Je kunt echter wel op enig moment vaststellen of zo’n
constructie beter is dan een vorige, namelijk wanneer ze meer verschijnselen
weet te verklaren of minstens verhelderen.
Natuurwetenschap van de ziel
Freud zag de psychoanalyse als wetenschap van de ‘ziel’ of psyche.
Psyche omvat meer dan ‘geest’ of mind: het gaat hier om het wezen van de
mens. Voor Freud is de psyche de zetel van zowel de geest als de
hartstochten – en veel van de psyche blijft ons onbewust. Hieraan kleeft niets
bovennatuurlijks: de psyche is wetenschappelijk te onderzoeken. Freud typeerde
de psychoanalyse als een natuurwetenschap.
Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd: wij associëren
natuurwetenschap doorgaans met onderzoek naar onbezielde, dode materie, door
streng gecontroleerde experimenten in het laboratorium of door exacte metingen
van de bewegingen van hemellichamen. Kortom, de klassieke fysica à la Newton.
De taal van dit type wetenschap is de wiskunde, en de denkstijl een rigoureuze
formalisering.
Freud schaarde de psychoanalyse echter onder de wetenschappen
van de levende natuur.[v] Die
kenmerkt zich door organische ontwikkeling – van soorten in de loop van
de evolutie, en van individuele planten, dieren en mensen gedurende hun
levensloop. Nauwkeurige observatie van levende wezens is hier de aangewezen
methode en de ‘intellectuele bewerking’ houdt in: reconstrueren hoe een huidige
toestand zich heeft ontwikkeld uit voorafgaande toestanden. Freud achtte deze
werkwijze ook bruikbaar voor de wetenschap van de ziel: je moet mensen
begrijpen uit hun psychische ontwikkeling en om die te achterhalen moet je met
ze praten. ‘Zorgvuldig observeren’ betekende bij Freud in de eerste plaats:
goed luisteren naar wat een persoon zegt en hoe die het zegt. Die uitlatingen
breng je dan in verband met andere, eerder gedane uitlatingen en zo kun je de
psychische geschiedenis van een persoon (patiënt) reconstrueren.
Freud vergeleek het werk van de psychoanalyticus graag met
dat van de archeoloog die een bouwwerk uit het verleden opgraaft. ‘Zoals de
archeoloog uit overeind gebleven muurresten de wanden van het gebouw optrekt,
aan de hand van kuilen in de bodem aantal en plaats der zuilen bepaalt, uit de
in het puin gevonden resten de voormalige muurornamenten en -schilderingen
herstelt, net zo gaat de analyticus te werk als hij conclusies uit
herinneringsflarden, associaties en actieve uitlatingen van de analysand trekt.
Beiden hebben een onbetwistbaar recht om te reconstrueren door het aanvullen en
samenvoegen van bewaard gebleven resten.’[vi]
Freud als essayist
Met deze opvatting van natuurwetenschap, geïnspireerd door
het werk van Johann Wolfgang von Goethe, plaatste Freud zich eerder in een
literaire dan in een mathematische traditie. Schrijven was voor hem een manier
om zijn denken (de ‘intellectuele bewerking’) vooruit te helpen, in combinatie
met verbeeldingskracht en gevoeligheid voor wat in de werkelijkheid is waar te
nemen. Freud presenteerde zijn inzichten niet via formele modellen, maar in de
vorm van essayistische betogen. Die konden de omvang van een boek hebben, maar
waren vaker korte beschouwingen over een specifiek onderwerp, soms gericht op
vakgenoten, soms op een publiek van leken. In alle gevallen zie je een
erudiete, speelse, en creatieve geest aan het werk, bezig met hardop denken en
erop gericht de lezer te prikkelen en mee te slepen. Freud bedreef, in de
woorden van Walter Kaufmann, een ‘poëtische wetenschap'.[vii]
Freuds essays kenmerken zich door een bewust gebruik van
retorische middelen. In plaats van begrippen formeel te definiëren gebruikte
Freud liever metaforen en voorbeelden uit het dagelijks leven of uit de
klassieke en moderne literatuur. Hij liet ambiguïteit bestaan, om associaties
bij zijn lezers op te wekken en hun interesse en verbeeldingskracht te
stimuleren.[viii]
Daarnaast had hij een voorkeur voor eenvoudig en helder taalgebruik: geen
abstract en geleerd aandoend vakjargon, maar bij voorkeur begrippen uit het
dagelijks leven.
Het aanspreken van een breder publiek was deels een omweg om
collegawetenschappers aan het denken te zetten en te overtuigen. Deels had het
ook een direct en concreet doel: lezers aansporen tot zelfonderzoek met
gebruikmaking van psychoanalytische inzichten. Het ging Freud dus niet in de
eerste plaats om het verruimen van kennis bij de lezers, hij wilde hen raken,
‘hun ziel in beweging zetten’: ‘De lezer raakt alleen “opgewonden” bij de
passages waardoor hij zich voelt aangesproken, die dus de in hem op dat moment
werkzame conflicten raken’.[ix]
Uit dit laatste blijkt Freuds werkelijke ambitie. De
psychoanalyse moest niet alleen een theorie leveren over neurotische patiënten,
zijn begrippenapparaat moest ook bruikbaar zijn voor de psychologie van
‘normale mensen’. Al in een vroege periode van zijn werk schreef hij boeken met
die bredere doelgroep in gedachten, bijvoorbeeld De droomduiding (1900)
en De psychopathologie van het dagelijks leven (1901). Ieder mens is in
meerdere of mindere mate neurotisch. Anders dan in de toenmalige psychiatrie
gebruikelijk was zag hij ‘geesteszieken’ niet als een afwijkend mensentype,
maar als gewone mensen die door constitutionele factoren en gebeurtenissen gedurende
hun levensloop psychisch in het ongerede waren geraakt.
Psychoanalytische pijlers
Inhoudelijk gezien rustte het denken van Freud op twee
pijlers. Allereerst was daar de cruciale rol van seksualiteit in
mensenlevens. Hij vatte seksualiteit breed op. Vanaf onze geboorte zijn wij
vleselijke, behoeftige, door lust gedreven wezens. De orale, anale en genitale
exploraties die eigen zijn aan de kinderlijke seksualiteit zien we terug in de
seksuele activiteiten van volwassenen. Dat we daarnaast het werk van beschaafde
wezens verrichten, variërend van kinderen opvoeden tot werken op het gebied van
politiek, kunst en wetenschap, gebeurt niet ondanks, maar dankzij onze
lustkant. Die levert de krachten voor de sublimering die voor deze culturele
prestaties noodzakelijk is.
Voor het primaat van de seksualiteit moeten we een prijs
betalen, die van de verdringing, door Freud aangeduid als ‘de
grondpijler waarop heel het bouwwerk van de psychoanalyse rust’.[x]
‘Alle verdringingen gebeuren in de vroege jeugd’, schrijft Freud, ‘het zijn
primitieve afweermaatregelen van het onrijpe, zwakke Ik. In de latere jaren
voltrekken zich geen nieuwe verdringingen, maar de oude handhaven zich en hun
diensten worden door het Ik voortaan aangewend om driften te beheersen’.[xi]
Freud zag deze pijlers – kinderlijke seksualiteit en
verdringing – in de eerste plaats als verworvenheden, als resultaten van
de analyse – ‘op legitieme wijze als theoretisch extract verkregen uit talloze
ervaringen’.[xii] Deze vormden
voor Freud vervolgens de vaste uitgangspunten zowel in de verdere theoretische
ontwikkeling van zijn raamwerk, als in de feitelijke uitvoering van analyses
met patiënten. Hij hield er onverkort aan vast, maar gaf zichzelf daarbinnen de
ruimte om te exploreren, te speculeren, te corrigeren en vooral: verder te
bouwen.
De kracht van theorie
Freud creëerde dus naar zijn eigen idee een natuurwetenschap
van de menselijke psyche, op basis van de intellectuele bewerking van
observaties die hij deed in zijn psychoanalytische behandelpraktijk. In die
praktijk formuleerde hij per patiënt een ‘minitheorie’ over de samenhang van
symptomen, uitlatingen en levensgeschiedenis van de betreffende patiënt. Die
minitheorie stond dan weer in verband met het meer algemene klinisch-theoretische
kader dat Freud in de loop van de tijd had ontwikkeld. Dit verband werkte twee
kanten op: enerzijds werd de minitheorie gevoed door het grotere kader,
anderzijds leverde ze ook weer voedsel voor een verdere uitwerking van de
grotere klinische theorie. Die theorie vormde dan weer het uitgangspunt voor
een abstractere metapsychologie die, ook volgens Freud zelf, een speculatief karakter
had en door hem regelmatig werd herzien.
Wanneer kon men theoretische stellingen dan als ‘waar’
beschouwen? Op het niveau van de individuele minitheorie gold dat waarheid kon blijken
uit een nieuwe golf aan associatief materiaal bij de patiënt. Voor de klinische
theorie gold in de eerste plaats dat een theoretisch principe bruikbaar moest
zijn in de praktijk van de analyse, dus: behulpzaam bij het ‘raden’ of
‘construeren’ van een samenhang tussen symptomen en een eerdere pijnlijke gebeurtenis,
een trauma. De analyticus begint niet bij nul, maar heeft op grond van de
theorie een idee waar hij of zij het moet zoeken.
De invloed van Freuds denken was niet in de eerste plaats te
danken aan de successen van zijn therapie. Die invloed hangt eerder samen met de
coherentie en omvattendheid van de daaruit voortvloeiende theorie, waarbij hij zijn
literaire gaven tot het uiterste benutte. Freud overtuigde door de
aantrekkingskracht en vormgeving van zijn ideeën. Hij bood in zijn werk aanknopingspunten
om een grote verscheidenheid aan psychologische en culturele verschijnselen te duiden.[xiii]
Geen experimenten
Ik begon dit essay met te stellen dat Freud zichzelf zag als
een man van de wetenschap. Uit zijn werk blijkt dat hij hechtte aan de idealen
van de moderne wetenschap van zijn tijd: nauwkeurige observatie, het
ondersteunen van generalisaties door een groot aantal waarnemingen, en het
grondig onderzoeken van alternatieve verklaringen. Hij wilde gezien worden als
een wetenschapsbeoefenaar, niet als een kunstenaar.
Tegelijkertijd hechtte Freud aan het gebruik van
verbeeldingskracht en literaire middelen. Door zijn vertrouwdheid met de wereld
van kunst en cultuur wist hij maar al te goed dat de menselijke psyche complex,
ambigu en duister is en dat het zaak was theorievorming en analyse daarop toe
te snijden. Dat betekende ook dat hij sceptisch was over de waarde van de psychologische
experimenteertraditie die in zijn tijd opgang deed. Hij zag de gegevens die
daaruit voortkwamen als onnatuurlijk en oppervlakkig en als weinig bruikbaar
voor het begrijpen van de complexe kwesties uit de analytische praktijk. Een
theorie die altijd rechtlijnige antwoorden geeft zal onvermijdelijk de
menselijke werkelijkheid platslaan die ze poogt te verklaren.
Toen de psycholoog Saul Rosenzweig in 1934 aan Freud een
verslag stuurde van experimentele gegevens die Freuds ideeën leken te
bevestigen, antwoordde deze: ‘Ik heb je experimentele onderzoeken voor de
verificatie van de psychoanalytische beweringen met belangstelling bekeken,
maar hecht er weinig waarde aan: de weelde aan betrouwbare observaties waarop
die beweringen berusten maken ze onafhankelijk van experimentele verificatie.
Niettemin: kwaad kan het niet.’[xiv]
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij twee decennia eerder nog
triomfantelijk had geschreven dat er sprake was van ‘snelle experimentele
bevestigingen van psychoanalytisch feitenmateriaal’ en dat ‘de eerste brug was
geslagen tussen de experimentele psychologie en de psychoanalyse.’[xv]
Daarvan was hij dus teruggekomen.
Binnen het palet van de wetenschappen lijkt de psychoanalyse
van Freud meer op de evolutieleer van Darwin dan op de klassieke fysica of de
experimentele psychologie. Darwins biologische theorie is tegelijkertijd
empirisch en hermeneutisch: ze werkt door empirische aanwijzingen te
ontcijferen om een verborgen werkelijkheid te onthullen, te weten de
mechanismen van natuurlijke selectie. Darwin geeft toe dat hij geen direct
empirisch bewijs heeft voor natuurlijke selectie, alleen impliciet bewijs via
fossielen en dergelijke. Maar die fossielen maken het wel legitiem om tot de
werking van natuurlijke selectie te besluiten. Freud werkte op analoge wijze wanneer
hij het bewijsmateriaal van dromen, versprekingen en neurotische symptomen
ontcijferde teneinde de verborgen werkzaamheid van het onbewuste te onthullen.[xvi]
Was Freud een scepticus?
Freud was een scepticus als het ging om religie en om het nut
van experimentele psychologie. Was hij ook sceptisch ten aanzien van zijn eigen
werk? Hij nam zijn analytische praktijk serieus, maar beschouwde haar niet als
zaligmakend. Zo schreef hij ooit ironisch: ‘Ik geloof niet dat onze
therapeutische successen het kunnen opnemen tegen die van Lourdes.’[xvii]
De praktijk van de analyse was voor hem, afgezien van de inkomsten die deze
opleverde, vooral van betekenis als leverancier van ideeën, van ‘speculaties’
(zijn woord), die in volgende analyses bevestigd of weerlegd moesten worden.
Zo ontwikkelde Freud gaandeweg samenhangende theoretische
uitgangspunten, zoals die van de verdringing en de kinderlijke seksualiteit.
Deze en andere theoretische verworvenheden uit de praktijk konden dan weer
benut worden in nieuwe analyses en exploraties, niet alleen in het
pathologische domein, maar ook bij het beter begrijpen van het psychisch leven
van gezonde mensen en allerlei thema’s waar de geesteswetenschappen zich mee
bezig houden: ‘Zo schonk de analyse ons niet alleen de opheldering van
pathologische voorvallen, maar toonde ze ook hun samenhang met het normale
zielenleven aan en onthulde onvermoede banden tussen de psychiatrie en allerlei
andere wetenschappen met een psychische activiteit als inhoud.[xviii]
Freuds scepticisme in wetenschappelijk opzicht was dus
geclausuleerd. Hij wilde geen dogmatisch, vaststaand stelsel formuleren en
verdedigen, maar aan enkele beginselen – kinderlijke seksualiteit, verdringing,
het onbewuste – hield hij vast. Binnen die theoretische ruimte mocht wat hem
betreft volop gespeculeerd worden, maar hij beschouwde zichzelf als de bewaker
van de orthodoxie en als de uiteindelijke beoordelaar van de juistheid van de speculaties,
die van hemzelf en vooral die van anderen. Freuds verdiensten zijn
ontegenzeggelijk groot, maar we zouden hem tekort doen als we zijn werk niet
met een gepast kritische blik zouden lezen.
[i] S. Freud
(2006) Werken 10, Colleges Inleiding tot de psychoanalyse – Nieuwe reeks
(1933a). Amsterdam: Boom, p. 211. NB in het vervolg verwijs ik kortweg naar
Werken, gevolgd door het deelnummer, (verkorte) titel van het
betreffende werk, jaar van eerste publicatie, en paginanummer(s).
[iii] Ook
daarin zit een overeenkomst met de analyse, zie Werken 10, De eindige en de oneindige analyse (1937c), pp. 270-305.
[iv] Werken
10, Colleges (1933a), p. 211.
[v] Freud
maakte een nadrukkelijk onderscheid tussen wetenschappen van de levende natuur
en die van de onbezielde materie, zie bijvoorbeeld Werken 10, De eindige
en de oneindige analyse (1937c), p. 298.
[vi] Werken
10, Constructies in de analyse (1937d), pp. 309-310
[vii] W. Kaufmann (1980/2007), Freud, Adler,
and Jung. Discovering
the Mind, Volume 3, Deel
1, Freud and his poetic science, pp. 11-172.
[viii] Dit
stijlkenmerk van Freuds schrijven wordt benadrukt door de essayist Adam Gopnik,
Freud the Skeptic, in: A. Blauner (2024) On the Couch. Writers Analyze Sigmund Freud. Princeton & Oxford: Princeton
University Press, pp. 255-265. Zie ook Walter Schönau (1968) Sigmund Freuds Prosa. Literarische
Elemente seines Stils. Stuttgart: J.B. Metzlersche Verlangsbuchhandlung,
[ix] Werken 10, De eindige en de oneindige analyse (1937c), p. 286-287.
[x] Werken
6, Over de geschiedenis van de psychoanalytische beweging (1914d), p. 367.
[xi] Werken
10, De eindige en de oneindige analyse (1937c), p. 280.
[xiii] Dit
laatste was nadrukkelijk Freuds oogmerk. Zie Paul Robinson (1993) Freud and His Critics. Berkeley etc.:
University of California Press, pp. 258-260.
[xiv] Geciteerd bij Robinson (1993) a.w.,
p. 211.
[xv] Werken
6, Over de geschiedenis … (1914d), p. 379
[xvi] Zie
Robinson (1993) a.w., p. 262. Zie voor de werkwijze van Darwin: Ilse N. Bulhof
(1988) Darwins Origin of Species: Betoverende wetenschap. Baarn Ambo; Janet Browne (2006) Darwin’s
Origin of Species. A biography. London: Atlantic Books.
[xvii] Werken 10, Colleges (1933a), p. 206
[xviii] Werken
6, Over de geschiedenis … (1914d), p. 386.