dinsdag 8 september 2026

Freud als buikspreker

 

In september 1926, op kop af honderd jaar geleden dus, publiceerde Freud Het vraagstuk van de lekenanalyse. Aanleiding was een officiële aanklacht tegen Theodor Reik wegens ongeoorloofde uitoefening der geneeskunst. Reik was in Wenen gepromoveerd in de psychologie en werd na zijn doctoraat door Freud ingewijd in de psychoanalyse. Na een leeranalyse bij Karl Abraham ging hij zelf patiënten behandelen. De klacht was afkomstig van een ex-patiënt. 

Reik was vanuit de geneeskunde bezien een ‘leek’, vandaar de titel van dit boek. Mocht iemand die geen medisch diploma had neurotische patiënten behandelen? Freud vond van wel, zolang de behandelaar in kwestie maar een goede psychoanalytische scholing had gehad en het om patiënten ging bij wie was vastgesteld dat hun klachten geen somatische oorzaak hadden. Op verzoek van de Weense autoriteiten had Freud een officiële verklaring afgelegd ten gunste van de lekenanalyse. Desondanks besloot het Weense stadsbestuur een proces aan te spannen tegen Reik. Voor Freud was dit een reden om zijn visie publiekelijk in boekvorm te publiceren. 

Waarom zouden we hier een eeuw na dato nog in geïnteresseerd zijn? De hoofdrolspelers zijn allemaal overleden en ook de psychoanalyse is volgens velen op sterven na dood, na een lange reeks van schisma’s, vernietigende commentaren op haar wetenschappelijke gehalte, en een analytische praktijk die door concurrentie van ‘efficiëntere’ psychotherapieën uit de rails gedrukt is. 

Een onpartijdige gesprekspartner  

Voor ons kan ‘Het vraagstuk van de lekenanalyse’ om minstens twee redenen interessant zijn. Allereerst vanwege de literaire aspecten ervan. Freuds bedoeling was om buitenstaanders bekend te maken met de praktijk en theorie van de psychoanalyse. Dat vroeg om een schrijfstijl die zowel laagdrempelig als inhoudsrijk was, en Freud goot deze in de vorm van ‘gesprekken met een onpartijdige’. Dat laatste, tevens de ondertitel van het boek, was deels ironie: in de ogen van Freud was in de buitenwereld niemand onpartijdig tegenover de psychoanalyse, eerder verregaand onwetend en vijandig. Hij werd niet moe daartegen in het geweer te komen. 

In zijn betoog legt Freud zijn gesprekspartner allerlei vragen en opmerkingen in de mond, die nu eens getuigen van nieuwsgierigheid, dan weer van aarzelende instemming of kritische oplettendheid. Gaandeweg raakt de ‘onpartijdige’ steeds beter op de hoogte van de psychoanalyse, maar Freud weet telkens met nieuwe verrassingen te komen waaruit blijkt dat allerlei verwachtingen en vanzelfsprekendheden niet kloppen. Bijvoorbeeld: op het moment dat de gespreksgenoot denkt dat hij snapt hoe zo’n analyse verloopt, komt Freud met de observatie dat patiënten op enig moment de analyse gaan dwarsbomen. Omdat hij in het voorgaande heeft uitgelegd wat de oorzaken van een neurose zijn, kan Freud onder verwijzing naar de theorie van het Es en het Ik uitleggen waar die weerstand vandaan komt. 

De dialoogvorm maakte het Freud mogelijk in relatief kort bestek en in begrijpelijke taal, met veel voorbeelden en analogieën, de lezer een complete, geïntegreerde versie van de psychoanalyse aan te bieden, een soepel gepresenteerde samenhang van theorie, onderzoek en praktijk. Als de imaginaire toehoorder bijvoorbeeld een vraag of opmerking heeft bij de uitleg van de analytische praktijk komt Freud met een kleine theoretische excursie, waarna hij op een hoger plan verder kan met een bespreking van de ‘moeilijkheden’ die zich in de behandeling voordoen. 

Freud verleidt hier de lezers dus door zijn stijl. Wie sceptisch staat tegenover de psychoanalyse zal zijn bedenkingen voortreffelijk verwoord vinden door Freud zelf, in zijn rol als buikspreker voor ‘de onpartijdige’. De crux van het boek – en dat is de tweede reden waarom het voor ons nu nog interessant is – betreft de inhoud: Freuds verdediging van de eigenstandigheid van de psychoanalyse. Neurotische patiënten zijn niet als andere patiënten: ze worstelen met stemmingsstoornissen, angstgevoelens, dwanghandelingen, zelfverwijten, psychosomatische klachten, seksuele problemen, enzovoort. En ook de behandeling is anders: analyticus en patiënt doen niets anders dan met elkaar praten. Daarvoor hoef je geen medische studie te hebben gevolgd, die verplichting zou een nodeloze, vermoeiende omweg betekenen. Wél moet je zijn ingewijd in de psychoanalyse, niet alleen theoretisch maar ook door zelf in analyse te zijn geweest. 

Diepte in de psychologie 

Op het moment dat Freud zijn eigen psychoanalytische theorie wil gaan ontvouwen, onderbreekt zijn gesprekspartner hem: ‘Psychologie en psychologen zijn er al genoeg geweest’. Jawel, zegt Freud, maar het probleem is: er zijn bijna zoveel psychologieën als er psychologen zijn, dat schiet niet op. Er is geen gemeenschappelijk fundament – en uiteraard claimt Freud dat hij dat wel biedt, met zijn nieuwe ‘dieptepsychologie’. Gewone psychologen gaan er namelijk van uit ‘dat alle psychische akten ons bewust zijn, dat bewust-zijn het kenteken van het psychische is’ – en dat klopt niet volgens Freud: de meeste psychische verrichtingen zijn onbewust, ook bij ‘normale’ mensen. 

Dit inzicht heeft Freud geholpen zijn patiënten beter te begrijpen en dus beter te behandelen. Hij heeft het ook gebruikt om ‘hulpconstructies’ te formuleren, theoretische ficties, die dan weer ten dienste komen te staan van de behandelpraktijk. Zo’n hulpconstructie is, wat hij noemt, het ‘psychische apparaat’ dat bestaat in het samenspel van Es, Ik en Boven-Ik. Het Es is een bron van onmatige psychische drijfkrachten en het Ik heeft als taak die te beteugelen. Meestal lukt dat wel, maar soms gebeurt dat op een niet-adequate manier – door verdringing – en ontstaat een neurose. 

De kracht van woorden

Ik zou door kunnen gaan met het samenvatten van zijn redenering, maar u zult beslist meer plezier beleven aan het elegante exposé van Freud zelf. Eén passage wil ik u nog wel graag voorhouden. De onpartijdige gesprekspartner reageert enigszins laatdunkend op de mededeling dat de psychoanalytische behandeling een kwestie van ‘woorden, woorden en nog eens woorden’ is. Freud zegt dan: laten we het woord niet versmaden. ‘Het is immers een machtig instrument, het middel waarmee wij onderling onze gevoelens uiten, de weg om de ander te beïnvloeden. Woorden kunnen weldadig werken en vreselijke verwondingen toebrengen. (…) [H]et woord was toch oorspronkelijk een toverkunst, een magische daad, en het heeft nog veel van zijn oude kracht behouden.’ Waarvan akte. 

 Overigens: bij de aanklacht tegen Reik is uiteindelijk van verdere vervolging afgezien. ‘Ik geloof niet dat dit succes te danken was aan mijn boek; het geval lag ongetwijfeld te ongunstig om een rechtsvordering in te stellen’, schrijft Freud met enige zelfspot in zijn nawoord. 

 

Het vraagstuk van de lekenanalyse. Gesprekken met een onpartijdige. Sigmund Freud Werken 9, 276-338 (Amsterdam: Boom, 2006).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Freud als buikspreker

  In september 1926, op kop af honderd jaar geleden dus, publiceerde Freud Het vraagstuk van de lekenanalyse. Aanleiding was een officiële ...